Als ik spreek in de tongen van menselijke wezens en van Engelen, maar geen liefde heb, dan ben ik een luidende gong en een klinkende cymbaal geworden, vers 1. Toen hij de vergelijking maakte noemde hij als eerste de gift van tongen, aangezien die door hen beschouwd werd als een grotere gift dan de andere. Zij veronderstelden dat die groter was, omdat die voor alle andere gaven aan de Apostelen was gegeven bij het bezoek van de al-Heilige Geest op de pinksterdag. Zo bedoelt hij: zelfs als ik al de talen van menselijke wezens kende, en daarbij die van de onzichtbare wezens, maar geen liefde heb voor de naaste, dan ben ik niet anders dan een levenloos instrument. Nu, met talen van Engelen verwijst hij niet naar hoorbare tongen, maar naar die van de geest, waarmee zij ook de lof zingen van de God van alles en waarmee zij met elkaar spreken. Jesaja hoorde hen zo lof zingen, zoals ook Ezechiël hoorde, en natuurlijk hoorde David hen spreken, alsook Zacharia en Micha. De Goddelijke Apostel drukte dit uit door middel van een hyperbool, in zijn wens om de waarde van de liefde duidelijk te tonen.

En als ik de gift van profetie heb, en alle mysteries en alle kennis begrijp; en als ik al het geloof heb om bergen te verplaatsen, maar geen liefde heb: ik ben niets, vers 2. Als hij opnieuw de in waarheid grotere giften: profetie en geloof, vergelijkt met de liefde, toont hij de superioriteit van de liefde. Nu, hij noemde ze niet zomaar, maar in alle uitgestrektheid, want van de profetie zei hij: als ik alle mysteries en alle kennis begrijp, en over geloof zei hij: om bergen te verzetten, maar ook op deze manier toonde hij dat het bezit van de liefde voortreffelijker is. Als ik al mijn bezittingen weggeef, en als ik mijn lichaam overgeef om verbrand te worden, maar heb geen liefde: ik win niets, vers 3. Door liefde hier met de grootste vorm van de deugd te vergelijken (minachting van bezittingen, vrijwillige armoede, inspanningen ten gunste van de religie), toont hij dat zij zelfs dat overtreft. Dit drukte hij eveneens uit in al zijn uitgestrektheid. Hij zei over zijn bezittingen: als ik al mijn bezittingen weggaf, dat is: als ik, in mijn eigen persoon, verdeel wat van mij is en zorg draag voor de behoeftigen; en in het geval van martelaarschap noemde hij niet alleen de dood, maar het verbranden van het lichaam, wat erger lijkt dan het lijden van andere straffen. Misschien zou iemand vragen hoe het de persoon die deze dingen doet aan liefde kan ontbreken. Daarom is het nodig om te beseffen dat de rechtvaardige rechter niet alleen de rechtvaardige daad beschouwt, maar ook de intentie van de daad. Toch zijn er veel mensen die het meest bezorgd zijn over de mening van de andere mensen, en het is waarschijnlijk dat personen afstand doen van hun bezit om de mening van de mensen te winnen, of ook vanwege de Goddelijke wet of verlangen naar het koninkrijk der hemelen, en niet uit zorg en aandacht voor de behoeftigen. Het moet, uiteraard, beseft worden dat de Goddelijke Apostel veel dingen uitgedrukt heeft op hyperbolische manier, om zijn punt te versterken. Zo zei hij bijvoorbeeld, toen hij aan de Galaten schreef: zelfs als ik of een Engel uit de hemel u iets zou schrijven wat afwijkt van wat u ontvangen hebt: laat hem een vervloeking zijn, Gal. 1:8, 9. Hij wist dat het onmogelijk is dat een Engel het tegenovergestelde van de Goddelijke boodschap zou leren, maar hij schreef het zo op, om hen te leren niemand te geloven die een ander onderwijs voorstelde, zelfs niet als die persoon volledig te vertrouwen was.

De liefde is lankmoedig1Zij lijdt lang, vers 4, zij draagt de tekortkomingen van de naaste edelmoedig. Zij is vriendelijk, zij gebruikt zachtheid en hoffelijkheid. De liefde is niet jaloers, zij ervaart de passie van nijd en jaloezie niet. De liefde is niet nieuwsgierig, zij houdt zich niet bezig met wat haar niet aangaat (dat is wat nieuwsgierigheid is). Zij houdt zich niet bezig met het afmeten van het Goddelijke wezen, noch om Zijn bestuur in twijfel te trekken, zoals sommigen geneigd zijn te doen. Diegene die liefheeft onthoudt zich ervan iets te doen wat ongepast is (liefde betekent: de persoon die liefde heeft). Zij is niet opgeblazen, zij is niet aanmatigend jegens haar broeders. Zij voelt geen schaamte, vers 5, zij weigert niet iets gerings of vernederends te doen tot voordeel van de broeders, vanuit de gedachte dat een dergelijke handeling ongepast zou zijn.

Zij ziet niet op haar eigen voordeel. De Goddelijke Apostel zei vaak iets soortgelijks: zie niet alleen op uw eigen voordeel, maar op dat van velen, om hen te behouden, 1 Kor. 10:33. Zij wordt niet verstoord, zelfs als iets beledigends gedaan wordt door iemand, draagt zij met lankmoedigheid, vanwege de genegenheid die zij voelt. Zij geeft geen gedachte aan het kwaad, zij vergeeft de gevallene, en veronderstelt dat dit gebeurde zonder kwade intentie. Zij verheugt zich niet in onrecht, maar verheugt zich in de waarheid, vers 6, zij haat de wetteloosheid, zij vindt geluk in het goede. Zij verdraagt alles, vers 7, zij verdraagt beledigingen uit liefde. Zij gelooft alles, zij ziet de geliefde als schuldeloos. Zij hoopt alles, zelfs als zij ziet dat iemand zich tot het ergste keert, wacht zij op zijn verandering ten goede. Zij verdraagt alles, niets wat met deze persoon gebeurt kan haar afschrikken van haar liefde.

Nadat hij dit alles individueel beschreven had, en waarnam dat zijn tong niet opgewassen was voor de taak om de liefde te beschrijven, ging de Apostel kort verder: de liefde faalt nooit, vers 8, dat is: zij wordt nooit teleurgesteld, maar blijft altijd vast, stabiel en onbeweeglijk. Zij blijft voor eeuwig, zelfs als profetieën zullen verdwijnen, als tongen tot een einde komen, als kennis zal verdwijnen. Het toekomende leven heeft dit niet nodig. Profetie voor actuele zaken is niet nodig; tongen zullen ook nutteloos zijn als het verschil tussen de tongen weggenomen zal worden; en de geringere kennis komt tot een eind als de grotere kennis gegeven zal worden. Hij ging ook inderdaad verder om iets dergelijks te zeggen: gij ziet, deels weten wij, en deels profeteren wij; maar als datgene wat compleet is komt, dan zal dat wat deels is verdwijnen, vers 9, 10. De kennis van kinderen is overbodig voor volwassen mensen. De Goddelijke Apostel gebruikt dit beeld ook, zie: toen ik een baby was, sprak ik als een baby, ik dacht als een baby, ik redeneerde als een baby, maar toen ik een man werd, heb ik de dingen van de baby weggedaan, vers 11. Diegenen die scherp van verstand en zinnen zijn, na het bereiken van de volwassen leeftijd, hebben de jeugdige kennis niet meer nodig. Zo vergeleek hij de kennis die ons in dit leven gegeven wordt met de kennis van baby’s, en de kennis waar wij naar uitzien met die van volwassen mensen, terwijl hij diegenen die het lichaam van de Kerk scheuren in deze woorden opnieuw onderwijst, dat zij niet moeten menen belangrijk te zijn vanwege hun kennis.

Ik bedoel, voor deze tegenwoordige tijd zien wij door een spiegel, vaag, maar dan aangezicht tot aangezicht, vers 12. Het tegenwoordige is een schaduw van de toekomst, zegt hij. In de alheilige doop zien wij het type van de opstanding, terwijl wij dan de opstanding zelf zullen zien. Hier zien wij de symbolen van het lichaam van de Heere, daar zullen wij de Heere zelf zien. Dat is de betekenis van aangezicht tot aangezicht. Wij zien echter niet Zijn onzichtbare natuur, die door niemand gezien kan worden, maar de natuur die hij van ons ontvangen heeft. Voor deze tegenwoordige tijd ken ik ten dele, terwijl ik dan volledig zal kennen, zoals ik volledig gekend ben. Hij bedoelt niet: zoals ik gekend ben, zal ik Hem kennen, maar: ik zal Hem beter zien door verbonden te zijn aan Hem. Hij schrijft: ik ben volledig gekend, om te zeggen: ik ben verbonden. God sprak op soortgelijke manier ook tot Mozes: Ik ken u meer dan alle anderen, Ex. 33:17, en de Apostel: de Heere kent diegenen die Zijne zijn, 2 Tim. 2:19, dat is: Hij verleent hen grotere voorzienigheid.

Maar zoals het is blijft geloof, hoop, liefde, deze drie: en de liefde is groter dan de andere, vers 13. Hij toonde dat de giften tot een einde komen, en dat de liefde alleen blijft. Hij toonde ook dat zij het bereiken van kennis overtreft; dat geloof overbodig is in het toekomende leven, waarin de realiteit volledig opgehelderd zal zijn. Uiteindelijk is geloof het bestaan van de gehoopte dingen, Hebr. 11:1, want er is geen geloof nodig als de realiteit opgehelderd is. Zo is ook de hoop hier overbodig. Hoop die gezien wordt is geen hoop, want wat blijft er over om te hopen als iemand ziet, Rom. 8:24? Anderzijds zal de liefde daar een grotere kracht hebben, in elk geval, als de passies verdwenen zijn, de lichamen onvergankelijk geworden zijn en de zielen niet langer nu eens dit en dan weer wat anders verkiezen.


Vertaald uit het Engels, uit: Commentary on the letters of saint Paul, Massachusetts 2001.

  • 1
    Zij lijdt lang

Door Theodoretus

Theodoretus van Cyrrhus (393 – 458/466) was een Griekse kerkvader die goed onderwezen was in de filosofie en de klassieke literatuur. Zijn geschriften kenmerken zich door een beknopte en sierlijke stijl. Hij is bekend uit het conflict tussen Nestorius en Cyrillus, verder zijn verschillende werken van hem, waaronder Bijbelcommentaren, bewaard gebleven.