Daarna, aangezien hij hen enerzijds een klap uitgedeeld had, en anderzijds een waar getuigenis gegeven had over zichzelf, voelde hij zich verplicht om verder te gaan: beginnen wij nu onszelf opnieuw aan te bevelen, vers 1? Het was niet aan ons om dit te zeggen, het was veeleer aan u, die onze prestaties en die van hen precies kent. Hij gaat verder om hen met woorden aan te sporen: zeker, wij hebben niet, zoals sommigen, aanbevelingsbrieven van u of voor u nodig. Hierin suggereert hij dat sommige van deze bedriegers hen door anderen waren aanbevolen, en door anderen bij hen geïntroduceerd waren met aanbevelingsbrieven. En, aangezien zijn woorden in staat waren hen te overweldigen, biedt hij een balsem in de volgende woorden: gij zijt onze brief, geschreven in onze harten, gekend en gelezen door alle mensen, vers 2. Wij hebben niets in geschrift nodig, de feiten zelf getuigen voor ons. Als een levende brief die ons gedrag omtrent u aanbeveelt hebben wij uw geloof, overal bekend: ter land en ter zee. Wij waren het die u verlost hebben van de dwaling en gebracht tot het licht van de kennis van God.
Wat volgt maakt dit inderdaad duidelijk. Gij toont dat gij een brief van Christus zijt, door ons bezorgd, vers 3. Waarom zeg ik ‘ons’? Gij zijt inderdaad een brief van onze Zaligmaker zelf. De woorden van de boodschap zijn van Hem, wij zijn slechts bezorgers van de tekst. Geschreven, niet in inkt, maar met de Geest van de levende God, niet in stenen tabletten, maar op tabletten van vlezen harten. Terwijl hij diegenen die het tegenovergestelde onderwezen voorbijgaat, verlegt hij zijn aandacht naar feiten en toont het verschil in de twee verbonden: het eerste was gegraveerd op tabletten van steen, het andere was geschreven in rationele harten1Zoals God dat zelf voorzegd had in Jeremia 31:31 – 34..
Nu, wij hebben dit vertrouwen door Christus ten opzichte van God. Niet dat wij uit onszelf in staat zijn om iets te claimen alsof dat van ons komt, vers 4, 5. Het was tijdig dat hij de God van allen noemde, aangezien diegenen die een tegenstrijdige leer preekten claimden dat God geïnteresseerd was in het houden van de wet. Zo zegt hij: wij hebben vertrouwen in de God van allen, Christus heeft ons dit vertrouwen gegeven. Wij stellen geen voorraad in onszelf, evenmin bieden wij de boodschap aan door die samen te stellen uit onze eigen ideeën. Veeleer is ons in staat zijn uit God, die ons ook in staat stelde dienaars te zijn van het nieuwe verbond, niet van de letter, maar van de Geest, vers 5 , 6. De God van allen voorzag ons persoonlijk van voldoende kracht om de genade van de Geest te dienen. Het is de oude letter van de wet niet, die wij aanbieden, maar de nieuwe gift van de Geest. Uiteindelijk doodt de letter, maar de Geest geeft leven. Hij stelde ze beide voor ten opzichte van hun einde of doel: de wet strafte de overtreders, terwijl de genade in elk geval de gelovigen het leven geeft.
Daarna laat hij het contrast duidelijker uitkomen. Nu, als de bediening van de dood in geschrift, gebeiteld in steen, kwam in heerlijkheid, zodat de kinderen van Israël niet naar het gezicht van Mozes konden kijken, vanwege de heerlijkheid van zijn aangezicht, een heerlijkheid die nu vervaagd is, hoe zal dan de bediening van de Geest die niet in heerlijkheid te boven gaan, vers 7, 8? Hij noemde de bediening van de wet een ‘bediening van de dood’, aangezien de wet de overtreders strafte. Dus als uit een bron van straf, dood en in steen gegraveerde letters, zegt hij, de persoon die voor hen bemiddelde bekleed werd met een heerlijk aangezicht, zodat het voor de toeschouwers onmogelijk was om de helderheid te zien die daarvan kwam, hoeveel meer zullen dan diegenen die de Goddelijke Geest bedienen grotere heerlijkheid genieten? Merk op dat hij door de ‘bediening van de Geest’ verwijst naar diegenen die aan de Geest bedienden, zoals hij ook door ‘de bediening van de dood’ verwees naar diegenen die aan de wet bedienden, namelijk: Mozes. Hij maakt een vergelijking tussen Mozes en de herauten van de genade, en laat hem zien terwijl hij gegraveerde tabletten meebrengt, en zij voorzien in de genade van de al-Heilige Geest; de wet die straft, en de genade die leven geeft; de heerlijkheid die tot hem kwam en voor een korte tijd bleef, en die van hen die voor eeuwig voortduurt. In het eerste geval Mozes alleen die deelt in de heerlijkheid, en in dit geval niet de Apostelen alleen, maar ook al degenen die door hen tot het geloof gekomen zijn.
Hij breidt deze vergelijking daarna uit, om de superioriteit van de genade uit te laten komen. Uiteindelijk, als de bediening van de verdoemenis een bron van heerlijkheid was, veelmeer zal dan de bediening van de rechtvaardiging overvloeien in heerlijkheid, vers 9. De wet veroordeelt de zondaars, terwijl de genade hen aanneemt en rechtvaardigt door het geloof. Zij leidt hen tot de Goddelijke doop en verleent hen vergeving. Dus als de één, die het eerste bediende, in de heerlijkheid deelde, zullen veel meer diegenen die het tweede bedienen in haar heerlijkheid delen. Gij ziet, wat eens heerlijkheid had, heeft nu geen heerlijkheid in dit opzicht, vanwege de superieure heerlijkheid, vers 10. De heerlijkheid die voor hen gereserveerd is, is zodanig dat u met reden kunt zeggen dat Mozes geen heerlijkheid had als u hen beschouwt. Ik bedoel: ’s nachts lijkt de lamp het helderst van alle lichten, maar in het volle daglicht is zij onzichtbaar, en lijkt helemaal geen licht te zijn. Uiteindelijk, als dat wat uitgedoofd is in heerlijkheid kwam, veel meer zal dan het permanente in heerlijkheid komen, vers 11. Met ‘dat wat uitgedoofd is’ verwees hij naar de wet, die geen kracht meer heeft met de komst van Christus de Heere, en met ‘het permanente’ naar de gift van de genade, die nooit tot een einde komt. Dus, zegt hij, als het eerste heerlijkheid kreeg, dan zal zeker ook het laatste veel meer heerlijkheid krijgen.
Omdat wij zo’n hoop hebben, daarom gebruiken wij ook veel vertrouwen, vers 12. Wij weten de grootheid van de heerlijkheid, en wij verkeren niet in onzekerheid, veeleer tonen wij met vertrouwen die buitengewone maat van genade. Niet zoals Mozes zijn gezicht bedekte met een sluier, opdat de kinderen van Israël niet zouden zien op het einde van datgene wat zou vervagen, vers 13. Wij hebben de sluier niet nodig, zoals zij die nodig hadden. Wij spreken tot gelovigen, en al de gelovigen genieten de helderheid van het intellectuele licht. Nu, het vers maakt duidelijk dat de Goddelijk geïnspireerde Mozes de ongelovigheid van de Joden voorafgebeeld heeft in het bedekken van zijn gezicht met een sluier. Zo heeft hij laten zien dat zij niet in staat zullen zijn om het einde of doel van de wet te zien. Onthoud: Christus is het einde van de wet, tot rechtvaardiging voor elke gelovige, Rom. 10:4. Want dit is wat geïmpliceerd wordt door ‘opdat de kinderen van Israël niet zouden zien op het einde van datgene wat aan het vervagen was’. Want hij zei dat de wet vervaagde, dat is: dat zij ophield om kracht te hebben, maar het einde of doel van de wet is Christus, verborgen onder de wet.
Maar hun geesten waren verhard, vers 14, niemand anders was verantwoordelijk voor de verharding. Zij gaven zelf getuigenis van de passie van hun eigen vrije wil. Want zelfs tot op deze dag, als het Oude Testament gelezen wordt, blijft deze zelfde sluier, niet weggenomen, die opzij gezet wordt in Christus. De wet lijkt tot op deze dag op Mozes, en de sluier ligt over diegenen die haar zonder geloof proberen te lezen. Maar tot op deze dag ligt, als zij Mozes lezen, een sluier over hun hart, vers 15. Met ‘Mozes’ verwees hij naar de wet, en door ‘een sluier’ naar ongeloof. Hij legt ook uit hoe het mogelijk is dat die sluier weggenomen wordt. Maar als er een omkeren naar de Heere is, dan wordt de sluier weggenomen, vers 16. Toen Mozes tot het volk sprak had de sluier haar plaats, maar toen hij God naderde was de sluier weggenomen. Insgelijks dan, als u op de Heere wilt zien, zult u bevrijd worden van de sluier van ongeloof.
Maar wie is het op wie wij onze ogen moeten richten? Nu, de Heere is de Geest. Hij bracht de gelijke status van God en de Geest naar voren. Nu, in zijn wens om te tonen dat de nieuwe realiteit superieur is aan de oude, zou hij de Geest niet genoemd hebben als hij wist dat de Heilige Geest een schepsel zou zijn. Als Hij een schepsel zou zijn, zoals de volgers van Arius en Eunomius stellen, en wij zouden onszelf Hem toeschrijven, maar Mozes zich aan God de Vader, dan zou onze handelswijze veel minder zijn dan die van hen. Als zij, in tegendeel, niet minder is maar groter, en veel groter, dan is de Heilige Geest geen schepsel, maar gelijk in kracht en status. Maar in hun onbeschaamdheid claimen zij dat de Heere hier ‘Geest’ genoemd wordt, en niet dat de Geest in persoon ‘Heere’ genoemd wordt.
Dit verraad echter dwaasheid en onbeschaamdheid: de Goddelijke Apostel maakte een volledige vergelijking van de letter en de Geest, toen hij zei: geschreven, niet in inkt, maar met de Geest van de levende God, en verder: de letter doodt, maar de Geest geeft leven, en opnieuw: hoe zal de bediening van de Geest niet in heerlijkheid zijn? Bijgevolg is het duidelijk dat de Goddelijke Apostel de al-Heilige Geest ‘Heere’ noemde.
Wat volgt geeft ook deze getuigenis: waar de Geest van de Heere is, daar is vrijheid. Nu, als hij de Heere ‘Geest’ genoemd had, dan zou hij gezegd hebben: waar de Heere is, maar dit is niet zijn uitdrukking. Hij sprak over de Geest als ‘de Geest van de Heere’, omdat de genade van de Heere door Hem verleend wordt. En, in het geval dat iemand zou vermoeden dat de Geest een dienaar is, was hij verplicht toe te voegen dat de Geest de Heere is. Allen van ons, met een ongesluierd gezicht, de heerlijkheid van de Heere aanschouwend, worden veranderd in dezelfde gelijkenis, van één heerlijkheid tot een andere, als van de Heere de Geest, vers 18. Mozes alleen genoot heerlijkheid, terwijl het in dit geval alle gelovigen zijn. Hij had een sluier, vanwege de zwakheid van de Joden, terwijl wij in het aanbieden van onderwijs aan de gelovigen geen sluier nodig hebben, maar de heerlijkheid van de Heere aanschouwen met ontbloot gezicht, niet getroffen door het afzichtelijke ongeloof. Hieruit ontvangen wij een niet geringe straal van heerlijkheid, die behoort aan diegenen die een zuiver hart hebben: zoals helder water voor het gezicht van de toeschouwers de bol van de zon en het gewelf van de hemel reinigt, zo is het zuivere hart als een indruk of spiegel van de Goddelijke heerlijkheid. De Heere sprak ook in deze woorden: gezegend die zuiver in hart zijn, omdat zij God zullen zien, Matt. 5:8. Nu, met ‘van één heerlijkheid’ bedoelt hij de heerlijkheid van de Goddelijke Geest, met ‘tot een andere’ die van ons, en hij doelt op de bron waaruit wij ontvangen, vandaar de toevoeging ‘als van de Heere de Geest’. Hieruit is duidelijk dat hij de Geest ‘Heere’ noemde, zoals ook in de voorgaande verzen.
Vertaald uit het Engels, uit: Commentary on the letters of saint Paul, Massachusetts 2001.
- 1Zoals God dat zelf voorzegd had in Jeremia 31:31 – 34.
